Naar Oosterlittens
In de intercity van Zwolle naar Leeuwarden verstopt zich een meisje achter haar lange blonde haar. De conducteur komt langs en ze kruipt te voorschijn. Ach, het is geen meisje, het is een vrouw van tegen de veertig.
‘Bent u vanaf Rotterdam nog niet geknipt?’ vraagt de conducteur. ‘Nou nou.’
Als ze geknipt is, neemt ze haar mobiel ter hand en tikt in.
‘Met mij. Blablabla. Trein. Leeuwarden ja. Die zaak. Digitaal, ja. Nou zeg dat wel. Toen ik begon te studeren in negentig had je van die floppies. Floppiedisks. Zegt je niks? Die waren ter grootte van wat nu een cd-hoesje is en ter dikte van karton. Zegt je niks. Geeft me het gevoel dat ik oud ben. Die stopte je in een gleuf en daar sloeg je het op. Nee daar sloeg je niet op, daar sloeg je hét op. Nee, die waren buigbaar en er kon zowat niks op, een paar baiks, maar dat heette toen anders. Daar moest ik MS-DOS voor leren. Zegt je niks. Kun je nagaan. Maar nu die zaak. De kantonrechter mag dat niet doen, wist je dat? Er zit iets tussen. Die beschikking, ja. Martin Air en KLM. Ja, zoek maar op internet. ’t Is maar een tip. Doe ermee wat je wilt. Hoe? Ervaring. Ik voel me oud.’
Ze stopt het ding in haar tas en kruipt weer weg achter haar haar.
Perron Leeuwarden is een winderig oord met drie huiverende mensen die zwijgend en los van elkaar staan te nicotineren in een gele cirkel rondom een rookpaal. In de verste hoek van het perron zijn drie wc’s, waarvan twee defect en voor de derde staat een man voorzichtig wiebelend de instructies te lezen. Ik lees mee. Je komt in het hok door met je mobiel een 09- nummer te bellen en via je banknummer iets van een euro te betalen. Waanzin. Ik heb niet eens een mobiel bij me.
De trein naar Franeker van de Arriva heeft een wc aan boord, ruim en schoon. Verlicht kijk ik daarna het raam uit. Trek in koffie. In Deinum staat de toren van Deinum en het klopt: ‘Yn Deinum stiet in sipel op ‘e toer.’ In Dronrijp passeren we een trein die ‘M.C. Escher’ heet. Straks ga ik koffie drinken in de stationsrestauratie van Franeker, dat is zeker. De bomen waaien heftig. Op een grauw gebouwtje is het gele aidsbestrijdingsteken geschilderd. Drie paarden staan met hangende koppen op een tip land.
In Franeker is geen stationsgebouw, geen stationsrestauratie en geen koffie. Wel miezert het in Franeker. De bushalte waar ik moet overstappen staat aan de Anna Maria van Schurmansingel. Dat geeft hoop, zo’n literaire, religieuze, emancipatoire vrouw. In de verte ontwaar ik een supermarkt van het merk Poiesz. Nooit van gehoord. Hoe spreek je dat uit? Pooies? Ik stap binnen, stuit op een bloemenmeisje en vraag of hier koffie te krijgen is. ‘Ja,’ wijst ze, ‘te krijgen, bij het vlees.’
Ha, het is hier warm. Bij het vlees is een koffiepunt met het bevelende opschrift ‘Haal hier uw gratis kopje koffie.’ Ik haak mijn rugzak af. Er is suiker, er zijn zoetjes, er is koffiemelk, bij het vlees staat een schaaltje met plakjes worst voor klanten. Ik sta, eet mijn boterhammen, neem worst van het schaaltje, geniet van een tweede koffie, maak een praatje met een Fries die mij toevertrouwt dat het binnen beter is dan buiten. Dan schuif ik mijn rugzak weer op, ik moet naar Oosterlittens.
Bij de bushalte staat een Frysker, een busje met hondensnuit en bordje ‘Bolsward’. Ik moet de volgende hebben. Naar Sneek. Het is een gewoon Volkswagenbusje dat ooit wit geweest moet zijn, het zit van onder tot boven onder de kleispatten. Er staat geen ‘Sneek’ op, wel ligt er een karton met ‘33’ op het dashboard. Ik ruk aan het portier. Er zit een opgewekte jongen achter het stuur. Ja, deze gaat over Easterlittens.
Ik zoek het incheckpunt voor mijn pasje, maar de jongen lacht. Zo’n ding heeft hij niet aan boord, dit is een invalbusje. Hoe moet dat dan? Gewoon, ik mag voor niks mee. Hij cirkelt door dorpjes, door Tzum, door Wjelsryp, door Winsum, door Baard. In dat natte, winderige Friesland, groen van gras en blauw van water, ontwikkelt zich een warm gesprek. Hij is student bouwkunde en valt in op lijn 33. We praten over het literaire tijdschrift Tzum, over de maïsoogst, over Titus Brandsma uit Bolsward, over de kerk op de terp in Tzum, in Wjelsryp, in Winsum, in Baard, over zijn oma die daar nog wel eens binnen zit, over Jezus en de getuigen rondom hem, over zijn studie, over het Prinsessehof in Leeuwarden.
Tussen Wjelsryp en Winsum nadert een identiek busje. Ze stoppen naast elkaar, ze nemen samen de hele breedte van de weg in beslag, ze draaien hun portierramen naar beneden en maken een praatje. Dan gaan we door naar Winsum en naar Oosterlittens. Wat moet een man uit Amersfoort in Easterlittens?, vraagt hij. Die man maakt een boek over een dichter en die moet in Easterlittens het familiearchief van die dichter raadplegen. Hoe komt het archief van een dichter nou in Easterlittens, vraagt hij. Ik kan geen antwoord meer geven, we zijn er, hij zet me af op een prachtig pleintje.

Ik raadpleeg mijn plattegrond, ik loop recht op de Franeker Trekvaart af en daar trek ik aan een trekbel, want daar woont een achterneef van Willem de Mérode.
Drie uren later stopt hetzelfde bespatte busje op het pleintje. Dezelfde jongen. Maar nu zit er een blond meisje naast hem met lang haar. Ik moet achterin en mag weer voor niks mee. Succes gehad? vraagt hij. Ja, ik heb een grote doos papieren en foto’s doorgekeken. Na 5 minuten stap ik over op de bus naar Leeuwarden. Hij lacht me toe, hij knipoogt en gaat er snel vandoor met zijn blondje.