Willem de Merode als pedofiel

maandag 10 januari 2011
Wie een jaar of dertig geleden in orthodox-christelijke kring over homoseksualiteit schreef, haalde er algauw een paar dichtregels van Willem de Mérode bij. Deze dichter werd in zijn pleidooi voor onthouding gezien als rolmodel voor een christen-homo.

Hij schreef hoe God zegt: ‘Kind, ik heb veilig weggelegd / wat anders viel in stukken.’ In het publieke gesprek van de laatste tijd over pedofilie en pedoseksualiteit heb ik De Mérodes naam totnogtoe gemist. Terwijl hij als homo toch vooral pedo was, en ook als zodanig zeker nog iets te zeggen heeft.

Willem de Merode

Willem de Merode 34 jaar

 

Zelfdiscipline
Willem de Mérode (schuilnaam van Willem E. Keuning, 1887-1939) wist al als puber dat hij ‘anders’ was: ‘al heel, heel vroeg, als jonge jongen nog, en door een woordenboek. Toen dacht ik dadelijk: zoo is mijn aanleg,’ schreef hij in 1927 aan P.J. Meertens. Als onderwijzer in Uithuizermeeden had hij contact met leerlingen en oud-leerlingen, jongens tussen tien en achttien jaar, voor wie hij vriendschap voelde. In enkele gevallen verdiepte zich deze vriendschap tot liefde. 
De Mérode koesterde daarbij het ideaal van een zorgend vaderschap. Waarschijnlijk paste het begrip ‘moederschap’ nog beter bij hem. De Duitse dichter August von Platen (1796-1835) was daarbij zíjn rolmodel. Von Platen schreef in zijn poëzie graag over een blonde, kunstzinnige jongeman met wie hij een duurzame geestelijke relatie kon hebben. Lichamelijke seksualiteit, die hij ‘begeerte’ of ‘zinnelijkheid’ noemde, wenste hij te vermijden; de relatie moest in liefdevolle zelfdiscipline ‘een gemeenschap van onthouding’ zijn.
Dit was De Mérode op het lijf geschreven. Hij mengde in zijn vroege poëzie het beeld van zijn literaire vriend Reind Kuitert met het gedroomde ideaal van Von Platen. Bijvoorbeeld in een gedicht uit 1912:

Ik min u heel en al: uw mond, uw haar,
Uw oor, een kleine schelp met roze randen;
Uw oogen, als een avondlucht zoo klaar,
Maar meer nog houd ik van uw blanke handen.

Eenzaamheid
‘Meester Keuning’ trok zijn jongensleerlingen voor. Ze kwamen bij hem thuis en hij gaf hun wel eens een heel voorzichtige knuffel, meer niet. Niemand zocht daar iets achter. Voor hem was het een tegemoetkoming aan zijn pedofiele verlangens. Hij wilde het, zo vertelde hij later aan enkele intimi, zeker niet laten komen tot pedoseksuele omgang. Bij hem ging het om pedofilie in de letterlijke betekenis van het woord: vriendschap voor kinderen en jeugdigen, in zijn geval jongens. (Merkwaardig is tegenwoordig het slordige door elkaar halen van de begrippen pedofilie en pedoseksualiteit. Zelfs de ‘Grote Van Dale’ vat ze op als identiek.) De Mérode beoefende een vaderschap zonder een zoon te hebben. In zijn bewonderende pedagogische eros zat zorgdrift. Seksuele handtastelijkheid wenste hij niet, want die was schadelijk voor de onvolwassene. Koren dat nog niet gerijpt is mag niet geoogst worden, zo staat te lezen in een gedicht uit 1916: ‘Wie durft uw gereede handen / Tot den dwazen greep besturen?’
Vooral in het begin was deze soort liefde voor hem sterk verweven met angst en eenzaamheid:

Is er een nood, die meerder nijpen kan
dan deze:
in liefdes lusthof zijn een eenzaam man
en een bevreesde?

Coming out
Uit zijn vroege gedichten blijkt niet dat het christelijke geloof hem een oplossing bood. Als God ter sprake kwam, was Hij de verre, die schuldig verklaarde. Liefde was niet alleen een hartsbehoefte, maar vooral een conflictbron: ‘’t Onzalig kleinood van mijn lust’.
Deze negatieve kant verdween langzamerhand. Uit 1915 dateert ‘Dialogue mystique’, waarin de mens tegen God zegt: ‘ik bied de hijgingen van al mijn lusten / en mijn berouw.’ God antwoordt daarop: ‘En ik neem alles aan.’ 
Dit besef door God geaccepteerd te zijn, ging vanaf ongeveer datzelfde jaar gepaard met een zelfacceptatie als pedofiel. De Mérode zette in manuscripten en literaire tijdschriften boven zijn liefdesgedichten af en toe een naam: ‘Aan Hans’, ‘Voor Jaap’, ‘Aan M. (zoo schoon, zoo jeugdig)’. Het was zijn coming out. In mijn boek De Mérode en de jongens (1991) heb ik aangetoond dat deze liefdespoëzie spiritueel van karakter is en om geestelijke eenheid vraagt, waarbij De Mérode overigens de lichamelijke schoonheid bepaald niet vergat.
Zijn grote gedicht Ganymedes (1924) gaat over een bij uitstek pedofiel gegeven: Zeus laat Ganymedes, de schone jongeling, wegroven van de aarde om hem bij zich te hebben. Het is een heel visueel gedicht met veel aandacht voor het lijfelijke schoon van een knaap. Maar de Ganymedes van het gedicht is bang voor de begeerte en de hartstocht van de goden, voor hun ‘vuren dronkenheid’. Het gezicht van de jongen is ‘zacht en kuisch en gansch begeerteloos’. Hier kijken we De Mérode in het hart, zo wilde hij de liefde beleven.

 

Okke
In Uithuizermeeden was de blonde, levenslustige, kwajongensachtige, maar ook artistiek voelende jongen Ekko Ubbens voor De Mérode hét ideaal. Hij noemde hem graag Okke en in het eerste gedicht waaraan hij Okkes naam verbond, schreef hij: ‘O, dit geluk bij u te zijn…’

portret Okke  15 jaar

Portret Okke  15 jaar
Hij kon geen negatieve dingen van hem verdragen. Toen Ekko/Okke eens riep: ‘Dat kan mij geen mieter schelen!’, legde De Mérode zijn hand op Ekko’s mond en zei: ‘Dat is zo’n lelijk woord, dat mag je niet zeggen.’ Maar Ekko lachte hem uit en zei: ‘Ik kan het nog wel erger maken: het kan me geen sodemieter schelen!’ De Mérode ontstak in woede en bezwoer hem dit verschrikkelijke woord nooit meer te gebruiken.
Uit de gedichten voor Okke spreekt vooral een pedagogische eros. De Mérode wilde dat hij sterk van geest werd, door zelfbeheersing. Hij zag hem met veel lawaai orgel spelen (Ubbens was later vele jaren kerkorganist in Uithuizermeeden) en hij schreef in ‘De orgelspeler’: ‘Hij kent nog niet de harde tucht / Die ook de zuivre ziel moet stalen.’
De Mérode heeft zijn liefde voor Okke beschouwd als een Godsgeschenk. ‘Dit is des Heeren heiligheid’, schreef hij bijvoorbeeld in ‘Sledevaart’, een herinnering aan een tocht in 1923 door de sneeuw met de 17-jarige Okke aan de leidsels van een paardenslee en De Mérode naast hem als passagier. De aardse en de hemelse liefde vallen hier samen:

 

’t Was of Gods niet te naken gloed,
die helder oplaait in uw ziel,
door blinkend prisma tot mij viel,
met al de warmte van uw bloed.

‘Sledevaart’ werd in de gevangenis geschreven. De Mérode heeft zijn ideaal korte tijd niet kunnen volhouden. Begin 1924 was er een seksuele relatie met een andere minderjarige oud-leerling. De Mérode werd veroordeeld tot acht maanden gevangenis. In de cel schreef hij de bundel De rozenhof, vol berouwgedichten. Maar daar staan ook regels tussen waarin hij zijn liefde niet verloochende:

 

Was God ten zesden dage niet vol vreugde
Om ’s menschen heiligen volmaakten bouw?
Mag ik niet drinken wat Hij blijde teugde?

De Gereformeerde kerkenraad van Uithuizermeeden wilde echter dat hij zijn soort van liefde afzwoer, zijn gevoelens van moedervader voor een jongen. Aan Wilma Vermaat, die hem zeer gesteund heeft, schreef hij over de kerkenraad: ‘Ik moest bekennen dat een jongen niet van een jongen mag houden. En dat kon ik niet. Zou ik niet van Okke hebben mogen houden? En omdat ik dat niet kon, ben ik ook daar de verstokte zondaar geworden, die roemde in het kwade.’ Toen de kerkenraad vasthield aan de eis, zegde hij zijn kerklidmaatschap op.
Bij Wilma Vermaat vond hij begrip. Zij had in 1923 God’s gevangene gepubliceerd, de eerste christelijke roman over een homo. Zij beschouwde homo’s en pedo’s niet als zieken of als misdadigers, zoals in die tijd algemeen gedaan werd, maar als mensen die ‘anders’ waren. Ze eerde hen door hun een norm voor te houden, maar ook door vooral bij hen een extra antenne te ontdekken voor opvoeding, zorg en kunstzinnigheid.

 

Kruis
In Eerbeek schreef De Mérode de bundel De lichtstreep, met veel gedichten die terugblikten. Okke had het contact met De Mérode verbroken, omdat hij zich door hem bedrogen voelde. De Mérode schreef over hem bedroefde poëzie van verlies: ‘Ik ben geen vader, en ik hèb geen zoon’.
Maar in Eerbeek kreeg hij nieuwe vriendschappen met jongens, voor wie hij als een vader was. Aan Wilma Vermaat schreef hij dat hij dit nodig had: ‘een vriendje of een vriend. Iemand om wat voor te doen, te helpen hier of daar mee. O, hij mag ook wel eens de armen om me heen slaan en me een zoen geven, hoor! gerust wel, maar dat is het niet. Ik moet van iemand houden als van Okke.’
Er was in die Eerbeekse tijd een minderjarige jongen die hem een seksuele relatie aanbood. De Mérode weigerde en schreef hem: ‘Je màg dat niet vragen. Je weet best dat de Heer klaar staat om je ’t kruis op te leggen en dat wil je niet. Waarom zou jij en ik geen kruis hebben? Ieder heeft het toch?’

De Mérode was een pedofiel die van jongens hield, en daarover had hij geen schuldgevoelens. Hij weigerde een pederast te zijn die jongens seksueel schond. Deze overtuiging had hij al vóór het catastrofale jaar 1924, en daarna werd dat idee alleen maar sterker. Dat hij Okke verloor, wilde hij ombuigen tot winst. Het belangrijkste thema in zijn liefdespoëzie is: winst uit verlies. Men kan van de bloem pas genieten als de knop gebarsten is, men kan de kastanje pas zien als de bolster kapot geschopt is, een steen wordt pas een robijn onder de druk van zware aardlagen. Aan Meertens, die ook pedo/homo was en pedoseksualiteit niet vermeed, schreef hij: ‘zonder ’t offer, en zonder de breuk komt men er toch niet.’

Gedenkteken Uhm
'Ekko Ubbens verzoende zich postuum met De Mérode en onthulde op 2 september 1987, 100 jaar na diens geboorte,  een gedenkteken in Uithuizermeeden.'

 

Komend voorjaar verschijnt, na 28 jaar,een nieuwe, geheel herschreven en aangevulde biografie van Hans Werkman over Willem de Mérode onder de titel Bitterzoete overvloed, de wereld van Willem de Mérode  (uitg. Aspekt, Soesterberg).  Bij dezelfde uitgever verscheen recent: Willem de Mérode, De gedroomde zoon, 100 gedichten gekozen door Willen Jan Otten en Hans Werkman.