In memoriam Harry Mulisch (1927-2010)

maandag 1 november 2010

De tweelingbroer van de Vesuvius

Knarsend verschuiven de panelen. Een generatie sterft. De Herenclub is de verdwijning nabij. Kik Zeiler heeft ze in 1985 geschilderd: de club van dertien heren, borrelend voordat hun wekelijkse maandagavonddiner begint. Een avondmaal. In het midden Harry Mulisch, zijn handen betogend gespreid boven witte wijn en smeulende pijp.

Rondom hem twaalf mannen: Wim Duisenberg, Hans van Mierlo, Peter Schat, Han Lammers, Hans Gruyters. Van deze seculiere club leeft nog ongeveer de helft: Henk Hofland, Gerrit Komrij, Marcel van Dam. Zaterdagavond overleed de centrale heer.

Kik Zeiler, De Herenclub, olieverf op doek, 1985.

Van links naar rechts: Wim Duisenberg, Hans van Mierlo, Peter Schat, Henk Hofland, Martin Veltman, Harry Mulisch, Han Lammers, Reinbert de Leeuw, Gerrit Komrij, Marcel van Dam, André Spoor, Hans Gruijters, Jeroen Henneman. Op de papieren rechts op tafel zijn de portretten van Cees Nooteboom en W.L. Brugsma te ontdekken. Het portret links aan de wand stelt de restauranthouder H.F. Wünneberg voor.


Zeventien
Harry Mulisch heeft altijd ironisch en hooghartig over de dood gesproken. Een vroege dood vond hij ‘gebrek aan talent’ en ook later zei hij: ‘Doodgaan, nee, dat is niks voor mij.’ Hij wilde zijn geest ’t liefst op zijn absolute leeftijd houden, zeventien jaar, de ontdekkende, kritische, kantelende leeftijd tussen jeugd en volwassenheid, zo oud als Quinten in zijn meesterwerk De ontdekking van de hemel (1992). Hij is 83 geworden. Een groot romanschrijver. Meermalen kandidaat Nobelprijswinnaar. Altijd spraakmakend. Als schrijver dé naoorlogse vertegenwoordiger van de God-is-dood-generatie. In de Nederlandse literatuur de laatste van wat Kees Fens noemde ‘De Grote Drie’: Hermans, Reve, Mulisch. Nadat Hermans overleden was en Reve dementeerde, had Mulisch het soms ironisch over ‘De Grote Eén’.

 

Het stenen bruidsbed
Mulisch heeft een kast vol geschreven. Niet alles is even talentvol. Het lag bijvoorbeeld in 2008 niet erg voor de hand dat in het kader van de actie ‘Nederland leest’ zijn roman Twee vrouwen gratis verkrijgbaar was, want dit is nu net een roman met een reeks psychologische tekorten. Maar het blijft waar, dat Mulisch een groot en belangrijk schrijver was, ook een vertolker van een generatie. Voor mij betekent hij vooral een stijl, een voortreffelijk zintuiglijke stijl. Ik hoef maar aan de roman De aanslag te denken en ik krijg herinneringen aan concrete details: een draaiend fietswiel, een dobbelsteen, tastende vingers op een gezicht, hagedissen, een crucifix. Dat komt door de stijl van het verhaal.
Mulisch is ook: Het stenen bruidsbed. De roman filosofeert te veel. Mulisch liep als onverdraaglijk ijdel mens graag met eigen ideeën te koop. Maar de intelligente compositie en het protest tegen een overbodig bombardement op Dresden doen dat bijna vergeten. De roman is terecht klassiek.


Natuurlijk betekent Mulisch vooral: De ontdekking van de hemel – 65 hoofdstukken bij zijn 65e verjaardag –, een werk dat hem dicht bij de Nobelprijs bracht. De vakfilosofie in dit dikke boek sloeg ik over, maar het is gek, dat beschadigde mijn waardering voor de roman nauwelijks.  En die is vooral weer aan de stijl te danken. Nergens vliegt een raaf zo wiekend door het dak van het Pantheon als bij Mulisch en nergens is een waterstraal zo blond als een haarvlecht: ‘Minutenlang kon hij kijken naar de straal water uit een kraan, naar die heldere, koele vlecht, die haar vorm en glans behield ofschoon zij onafgebro¬ken uit ander water bestond.’ Tegelijk heeft zijn stijl iets afstandelijks, iets kils. Zo afwerend en koeltjes kon hij ook praten.


Stijl, verhaal, visie
De stijl is de stijl van een inhoud. De inhoud is niet alleen een verhaal, maar in het verhaal vooral een visie op het bestaan. Alleen zo kan het literatuur zijn: stijl, verhaal, visie. Mulisch had een uitgesproken pessimistische visie op het leven en op het voortbestaan daarvan. Het thema van al zijn werk is de onontkoombare verwoesting. Op het achterplat van De pupil staat een foto van Mulisch met wat hij noemde: zijn ‘tweelingbroer’ de Vesuvius, de sluimerende vernietiger.
Om het thema van de vernietiging aan te duiden, volsta ik nu met een verwijzing naar de slotepisodes van zijn drie belangrijkste romans. In Het stenen bruidsbed keert Norman Corinth (de dertien letters van zijn naam verwijzen naar 1 Korintiërs 13, het hoofdstuk van de liefde, maar hij kan deze liefde niet waarmaken) na de oorlog terug naar het gebombardeerde Dresden. Op de laatste bladzijde kijkt hij uit over ‘de uitgestorven vlakte’ en leest een krantenknipsel over het negen maal vernietigde Troje.

 

Asregens
Ook De aanslag gaat van oorlog tot oorlog voort. Leerlingen van middelbare scholen vinden deze roman nogal eens een spannend oorlogsboek, maar dat is een tragische versmalling en getuigt van oppervlakkig lezen. Het boek behoort gelezen te worden vanuit het motto: ‘Overal was het al dag, maar hier was het nacht, neen, meer dan nacht.’ (Plinius). Mulisch is altijd geboeid geweest door de oude Griekse beschaving met haar ondergangen. De roman wentelt zich van oorlog naar oorlog en herinnert aan de asregens van de altijd dreigende Vesuvius. De hoofdpersoon Anton Steenwijk (alweer een naam van dertien letters, waarvan het aantal zich opnieuw niet waarmaakt) loopt door de stad en kijkt bang en vermoeid naar zijn schoenen: ‘zijn schoenen sloffen en het is of zij wolkjes as opwerpen, ofschoon nergens as te zien is.’
De ontdekking van de hemel pakt het wat frivoler aan. Ook Mulisch is niet ontsnapt aan de optimistische buitenkant van het postmodernisme (‘nihilism with a smile’). Maar de wereld gaat eraan. Ook hier keert Mulisch terug naar de plekken van vernietiging: Auschwitz, Westerbork, en ook deze dikke roman eindigt zonder hoop. De verdorven mens is de wet van de tien goddelijke geboden niet waard gebleken. Quinten volvoert de opdracht om de beide stenen tafelen terug te brengen naar de hemel. Het gelukt hem ze te pakken te krijgen, maar voordat ze door de goddelijke ‘Chef’ teruggenomen kunnen worden, spatten ze uiteen in brokstukken. Lucifer wint, alleen de hel blijft over, en in de hemel slechts ‘de Chef als het dwalende nabeeld van een groot Licht’.

 

Tweede Wereldoorlog
Behalve de stijl (waaronder natuurlijk de compositie) is in de hoofdwerken van Mulisch ook het twintigste-eeuwse kader aantrekkelijk. Ik bedoel zijn voortdurende scherpe confrontatie met de Tweede Wereldoorlog. Daartoe was hij eigenlijk gedoemd, altijd in gevecht met zijn vader die in de oorlog in Amsterdam voor de Duitsers directeur was geweest van de stichting die geconfisqueerde Joodse bezittingen beheerde.
De aanslag is een Hannie Schaftverhaal. Met zijn verslag van het Eichmann-proces maakte Mulisch school. Maar er is meer. Hij verwerkte graag brokjes vaderlandse politiek, godsdienst en literatuur van zijn eigen tijd. In De aanslag is minister Smallenbroek te ontdekken, die snel iets achterop een sigarendoos krabbelt, en dominee Buskes die de begrafenis van Van Randwijk leidt. In De ontdekking van de hemel speelt de Donner-familie een rol, en wordt tijdens een boottocht op het IJsselmeer in 1981 een kabinet in elkaar gezet door Dorus (Van Agt) en ome Koos (Den Uijl), waarna Han Lammers in Enkhuizen Bach uit het kerkorgel timmert. In De aanslag speelt de grote vredesdemonstratie van 1981 mee, zonder uitzicht op vrede. Een kreet die zich door de massa voortplant, wordt ervaren als een angstschreeuw, ‘een archaïsche grondzee van de mensheid’.


Religie en hoop
Zat in Mulisch iets van religie? Hij was er, vrees ik, te hooghartig voor. Het christendom noemde hij ‘een argument van militairen’. In De aanslag is een klein negatief rolletje weggelegd voor Jezus: ‘een crucifix met het kronkelende, gelige lijk’. De ontdekking van de hemel herhaalt het: ‘het gemutileer¬de lijk van de godsdienststichter, – aan het kruis bevestigd in dezelfde houding als Otto Lilienthal aan zijn zweeftoe¬stel, waarmee hij de eerste glijvlucht had volbracht.’ Volbracht, dat houdt hier in: zich te pletter gevlogen.

In het werk van Mulisch zit geen hoop. Hij stond ver af van een schrijver als Elie Wiesel, die persoonlijk veel meer getekend is door de oorlog, maar die zegt dat hij een religieus mens is en niet voor de wanhoop wenst te kiezen, want ‘ik heb een zoon, een kleinzoon, lezers. Ik zou nooit toestaan dat een boek van mij eindigt zonder hoop. Dat kan ik hun niet aandoen.’ Mulisch deed dit zijn lezers wel aan. Het was een kwaliteit dat hij er in zijn zeer getalenteerde werk op wees dat de mens onuitroeibaar verwoestend van aard is. Hij deed daarmee een beroep op de identiteit en het geweten van de lezer. Tegelijk markeerde hij zo het tekort in zijn werk.