Hangkatjes 618 26-04-2013

vrijdag 26 april 2013
Je wandelt over de Amsterdamse Middenweg en je kantelt de tijd zo’n eeuw terug. De wind fladdert langs je heen, een echte Middenwegwind, zou de moeder van Frits van Egters later zeggen in De Avonden van Reve.

Je wandelt over de Amsterdamse Middenweg en je kantelt de tijd zo’n eeuw terug. De wind fladdert langs je heen, een echte Middenwegwind, zou de moeder van Frits van Egters later zeggen in De Avonden van Reve. Je hebt net  aan het stadhuisje van Watergraafsmeer de witte zwaan gezien met de gele letters WGM op zijn blauwe schild. Achter je rammelt de Gooische Tram. Je springt er niet op, je wilt wandelen. Want daarginds zie je een man lopen onder de brede rand van zijn hoed, en die man ga je achterna, Amsterdam uit, de natuur in, naar de knotwilgen achter De Meer, de slootjes van Diemen, van Baambrugge.

Die man weet de weg, hoewel hij zich als schrijver Nescio noemt, en dat betekent: ik weet het niet. Van zichzelf heet hij Grönloh,  hij is directeur van een handelsbedrijf, en in het weekend trekt hij de stad uit en bedenkt hij de zinnen die hij thuis zo volmaakt mogelijk zal opschrijven. Hij heeft een paar verhalen op zijn naam, Dichtertje, Titaantjes, De uitvreter, en die staan in een dun boekje. Een enkele keer voegt hij er een dun verhaal aan toe. Soms is hij een aartspessimist en laat hij een van zijn verhaalfiguren van  de brug stappen. Hij kan niet bevatten wie God is, hij maakt er wat van, hij ziet God als de natuur. ‘Groot was God die middag en goedertieren.’

Daar langs de Middenweg zie je hem een nieuwe zin bedenken. Misschien deze: ‘Toen ik m’n oogen dicht deed, was ’t of m’n hoofd vol goud licht en blauw water was en wonderlijke rillingen gingen door m’n ruggemerg.’

 

2013. Op de eerste zonnige zaterdag van april lopen mijn zoon en ik in het spoor van Nescio door Amsterdam, in een groepje met een gids. We hebben koffie gedronken aan de Linnaeusstraat in De Poort van Muiden, waar Nescio geregeld zat en die nu East of Eden heet. Door het oude glas-in-lood zien we het Tropenmuseum. Daar vlakbij woonde Nescio’s meisje Aagje Tiket. In Dichtertje beschreef hij hoe hij haar hand vroeg. ‘Nu mochti boven komen. Daar zaten haar vader en de zijne en haar moeder en een grootmoeder en een tante. Haar twee kleine zusjes waren vroeg naar bed gestuurd. En toen kreeg i haar en de tante zei later ‘wat een nette jongen’.’

Op de Mauritskade lezen we aan een modern flatgebouw een citaat uit Titaantjes: ‘En dan begon ’t te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m’n eene voet lag bijna in de sloot. Een koe, die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je ’t gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een paard holde heen en weer, je hoorde ’t maar zag ’t niet. De koe bij ons blies en werd onrustig. Bekker zei: ‘’t Is hier goeie. Zoo moest ’t maar blijven.’’

 

Het Oosterpark. Nescio liep hier en noteerde: ‘Schitterend licht. Hangkatjes. Drie menschen hebben me aangesproken dat ’t zoo’n mooie dag is.’ We scharen ons rond de Titaantjes, het beeld dat Hans Bayens maakte van Nescio’s drie heldjes. Je moet op je hurken om  de jongens in de bronzen ogen te kijken. De oude Aagje Tiket heeft het in 1971 onthuld.

Bezijden de Middenweg ligt de Linnaeushof van architect Kropholler. Hier woonde Nescio van 1940 tot zijn dood in 1961, het langst op nummer 11, later op 57. Hij takelde af. Als hij kort gewandeld had, moest hij in het voortuintje eerst op een stoel bijkomen om naar hun bovenetage te kunnen klimmen. Tegenover hem is de kerk van de Heilige Martelaren van Gorcum. Nescio: ‘Bij de kerk zong een merel dat hij bijna barstte.’ Zou hij er ooit binnen zijn geweest? Het religieuze natuurtafereel aan de gevel heeft hij natuurlijk vaak overdacht: de pelikaan die haar jongen voedt met haar bloed, symbool van Christus. Wat leunt de architectuur van de Linnaeushof mooi tegen Berlage aan, met die evenwichtige ovale ramen van baksteen, en dat beeld van de kleine Jezus aan een muur.

Op nummer 57 hing boven het bureau van Nescio een spreuk: ‘De neergaande lijn in het leven is de langste.’ Zijn vrouw nam die spreuk weg en hing er een portret van hun kleindochter voor in de plaats.

Aan de Middenweg op de Nieuwe Oosterbegraafplaats is zijn graf. Hij schreef met stelligheid: ‘Er zijn maar 5 dingen die de moeite waard zijn en ik noem ze op in volgorde van belangrijkheid: Amsterdam, het vroege voorjaar, de laatste 10 of 14 dagen van augustus, vrouwen en de onbegrijpelijkheid Gods.’ Maar zo stellig was hij niet, want hij noemde zich Nescio.

 

Nescio-wandeling: www.literalinea.nl

 

Pelikaan aan de voorgevel van de kerk van de Heilige Martelaren van Gorcum,

Linnaeushof, Amsterdam (foto Hans Werkman)